Voorwoord Een Cursus in wonderen


Het ontstaan van het Cursus in Wonderen boek



Voorwoord

Dit voorwoord werd geschreven in 1977, als reactie op de vele verzoeken om een korte inleiding tot Een cursus in wonderen. De eerste twee delen - Hoe de Cursus ontstond en Wat de Cursus is - schreef Helen Schucman zelf. Het laatste deel - Waar de Cursus over gaat - werd geschreven via een proces van innerlijk dictaat zoals dat in het voorwoord beschreven wordt.

 

Hoe de Cursus ontstond

Een cursus in wonderen begon met de plotselinge beslissing van twee mensen om zich te

verenigen in een gemeenschappelijk doel. Ze heetten Helen Schucman en William Thetford, en waren beiden professor in de klinische psychologie aan de medische faculteit van de Columbia Universiteit in New York City. Wij zij waren is niet van belang, behalve dat deze geschiedenis laat zien dat bij God alles mogelijk is. Ze waren allesbehalve spiritueel ingesteld. Hun relatie met elkaar was moeizaam en vaak gespannen, en ze bekommerden zich zeer om persoonlijke erkenning en status. Over het algemeen lieten ze zich veel gelegen liggen aan de waarden van de wereld. Hun leven was bepaald niet in overeenstemming met alles wat de Cursus voorstaat. Helen, degene die het materiaal ontving, beschrijft zichzelf als volgt:

 

Als psycholoog en docent, met conservatieve ideeën en een atheïstische overtuiging, werkte ik in een prestigieus en uitermate academisch milieu. En toen gebeurde er iets wat een reeks voorvallen in gang zette die ik nooit had kunnen voorzien. Het hoofd van mijn afdeling kondigde onverwachts aan dat hij genoeg had van de boosheid en agressie die uit onze houding spraken en besloot met te zeggen: 'Er moet een andere weg zijn'. Alsof ik op dit teken wachtte, stemde ik erin toe hem te helpen die te vinden. Klaarblijkelijk is deze Cursus die andere weg.

 

Hoewel ze het serieus meenden, vonden ze het heel moeilijk een begin te maken met hun

gezamenlijke onderneming. Maar ze hadden de Heilige Geest het 'kleine beetje bereidwilligheid' gegeven dat - zoals de Cursus zelf keer op keer zou benadrukken - voldoende is om Hem in staat te stellen iedere situatie voor Zijn doeleinden te benutten en van Zijn kracht te voorzien. Om in Helens eigen woorden verder te gaan:

 

Aan het eigenlijke schrijven gingen drie onthutsende maanden vooraf, waarin Bill me de raad gaf mijn bijzonder symbolische dromen op te schrijven, en de merkwaardige beelden die ik kreeg vast te leggen. Hoewel ik inmiddels wat meer aan het onverwachte gewend was geraakt, was ik desondanks zeer verrast toen ik neerschreef: 'Dit is een cursus in wonderen.' Dat was mijn kennismaking met de Stem. Hij was geluidloos, maar gaf me als het ware een snel, innerlijk dictaat, dat ik opschreef in een stenoblok. Het was geen automatisch schrift. Het kon ieder moment onderbroken worden en later weer worden opgepakt. Het gaf me een heel ongemakkelijk gevoel, maar het is nooit serieus in me opgekomen ermee op te houden. Het leek een speciale opdracht die ik ooit, ergens, toegezegd had te volbrengen. Dit betekende werkelijk een gezamenlijke onderneming voor Bill en mij, en ik ben er zeker van dat een groot deel van de betekenis daarin is gelegen. Ik noteerde wat de Stem 'zei' en las het de volgende dag aan hem voor, en hij typte uit wat ik dicteerde. Ik veronderstel dat ook hij zijn speciale opdracht had. Zonder zijn aanmoediging en steun zou ik nooit in staat zijn geweest de mijne te vervullen. Het hele proces nam ongeveer zeven jaar in beslag. Eerst kwam het Tekstboek, toen het Werkboek, en tenslotte het Handboek voor leraren. Er zijn maar enkele kleine wijzigingen aangebracht. Er werden in het Tekstboek hoofdstuk- en paragraaftitels toegevoegd, en er werd een aantal van de meer persoonlijke boodschappen uitgehaald die in het begin voorkwamen. Voor het overige is het materiaal niet wezenlijk veranderd.

 

De namen van de twee mensen die samen voor de optekening van de Cursus zorgden

staan niet op het omslag en de titelpagina, want de Cursus dient op zichzelf te staan, en kan dat ook. Het is niet de bedoeling dat hij de grondslag wordt voor een nieuwe cultus of sekte. Hij beoogt slechts een manier aan te reiken waarmee sommige mensen in staat zullen zijn hun eigen Innerlijke Leraar te vinden.

 

Wat de Cursus is

Zoals de titel aangeeft is de Cursus van begin tot eind als een leerprogramma opgezet.

Hij bestaat uit drie boeken: een Tekstboek van 689 pagina's, een Werkboek van 491 pagina's en een Handboek voor leraren dat uit 94 pagina's bestaat. De volgorde waarin en de wijze waarop men de boeken besluit te gebruiken en te bestuderen is afhankelijk van iemands eigen behoefte en voorkeur.

 

De leerstof die de Cursus aanbiedt is zorgvuldig samengesteld en wordt stap voor stap

uitgelegd, zowel op theoretisch als op praktisch niveau. Hij legt de nadruk op toepassing in plaats van theorie en op ervaring in plaats van theologie. Hij stelt uitdrukkelijk: 'Een universele theologie is onmogelijk, maar een universele ervaring is niet alleen mogelijk maar zelfs noodzakelijk' (VvT.In.2:5). Hoewel christelijk in formulering, behandelt de Cursus universele spirituele thema's. Hij beklemtoont dat hij slechts één versie van de universele leerweg is. Er zijn vele andere, en deze verschilt daarvan alleen in vorm. Zij leiden uiteindelijk allemaal tot God.

 

Het Tekstboek is grotendeels theoretisch van aard en zet de concepten uiteen waarop het

denksysteem van de Cursus is gebaseerd. Deze ideeën bevatten de grondslag voor de lessen van het Werkboek. Zonder de praktische toepassing waarin het Werkboek voorziet zou de tekst grotendeels een reeks abstracties blijven die allerminst toereikend zou zijn om de omkeer in het denken te bewerkstelligen die de Cursus beoogt.

 

Het Werkboek bevat 365 lessen, een voor elke dag van het jaar. Het is echter niet

noodzakelijk de lessen in dat tempo te doen en het kan zijn dat men bij een bijzonder aansprekende les langer dan één dag wil blijven stilstaan. De instructies dringen er slechts op aan niet te proberen meer dan één les per dag te doen. De praktische aard van het Werkboek wordt onderstreept door de inleiding bij de lessen, waarin de nadruk wordt gelegd op ervaring via toepassing, en niet op een a priori verbintenis met een spiritueel doel:

 

Sommige ideeën die het werkboek presenteert zul je moeilijk kunnen geloven, en andere kunnen nogal onthutsend lijken. Dit doet er niet toe. Jou wordt slechts gevraagd de ideeën toe te passen zoals je opgedragen wordt. Er wordt je helemaal niet gevraagd ze te beoordelen. Er wordt je alleen gevraagd ze te gebruiken. Juist het gebruik ervan zal ze betekenis voor je laten krijgen en je tonen dat ze waar zijn.

Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen. Maar sta jezelf niet toe uitzonderingen te maken in de toepassing van de ideeën die het werkboek bevat en

- wat je reacties op de ideeën ook mogen zijn - gebruik ze. Meer wordt er niet gevraagd (W.In.8-9).

 

Het Handboek voor leraren tenslotte, dat in een vraag-en-antwoordvorm geschreven is,

geeft antwoord op enkele van de meest voor de hand liggende vragen die een student zou kunnen stellen. Het bevat tevens een verklaring van een aantal van de termen die de Cursus gebruikt en legt die uit binnen het theoretische raamwerk van het Tekstboek.

 

De Cursus pretendeert niet ultiem te zijn en evenmin zijn de werkboeklessen bedoeld om

de leerweg van de student tot een voleinding te brengen. Aan het einde wordt de lezer overgelaten aan de zorg van zijn of haar eigen Innerlijke Leraar, die heel het verdere leerproces zal leiden zoals Hij het juist acht. Hoewel de Cursus veelomvattend is kan de waarheid niet tot een eindige vorm worden beperkt, zoals uit de vaststelling aan het eind van het Werkboek duidelijk is af te leiden:

 

Deze cursus is een begin, niet een einde. [...] Er worden geen specifieke lessen meer gegeven, want die zijn niet langer nodig. Hoor dus van nu af aan louter de Stem namens God [...]. Hij zal jouw inspanning richting geven en je precies vertellen wat je moet doen, hoe jij je denkgeest dient te richten en wanneer je in stilte tot Hem moet komen om Zijn onfeilbare leiding en Zijn betrouwbaar Woord te vragen (WdII.Nw.1:1;3:1-3).

 

Waar de Cursus over gaat

Niets werkelijks kan bedreigd worden.

Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.

 

Zo begint Een cursus in wonderen. Hij maakt een fundamenteel onderscheid tussen het

werkelijke en het onwerkelijke, tussen kennis en waarneming. Kennis is waarheid, opererend onder één wet, de wet van de liefde of van God. De waarheid is onveranderlijk, eeuwig en eenduidig. Ze kan onopgemerkt blijven, maar ze kan niet worden veranderd. Ze geldt voor alles wat God geschapen heeft, en alleen wat Hij geschapen heeft is werkelijk. Ze gaat wat geleerd kan worden te boven, want ze ligt buiten het bereik van tijd en processen. Ze heeft geen tegendeel, geen begin en geen einde. Ze is eenvoudig.

 

De wereld der waarneming daarentegen is de wereld van tijd, van verandering, van begin

en einde. Ze is op interpretatie, niet op feiten gebaseerd. Het is een wereld van geboorte en dood, gegrondvest op het geloof in schaarste, verlies, afscheiding en dood. Ze werd aangeleerd in plaats van gegeven, ze is selectief en fragmentarisch in haar waarneming, instabiel in haar functioneren en onnauwkeurig in haar interpretaties.

 

Vanuit kennis en waarneming ontstaan respectievelijk twee onderscheiden

denksystemen die in elk opzicht tegengesteld zijn. In het domein van kennis bestaan er geen gedachten los van God, omdat God en Zijn schepping één Wil met elkaar delen. De wereld der waarneming echter is gemaakt door het geloof in tegenstellingen en afzonderlijke willen, eeuwig in conflict met elkaar en met God. Wat waarneming ziet en hoort lijkt werkelijkheid te zijn, omdat ze alleen tot het bewustzijn toelaat wat overeenkomt met de wensen van de waarnemer. Dit leidt tot een wereld van illusies, een wereld die onophoudelijk verdedigd moet worden omdat ze niet werkelijk is.

 

Wanneer je gevangen bent in de wereld der waarneming ben je in een droom gevangen.

Zonder hulp kun je niet ontsnappen, want alles wat je zintuigen je tonen getuigt slechts van de werkelijkheid van de droom. God heeft het Antwoord, de enige Uitweg, de ware Helper verschaft. Het is de functie van Zijn Stem, Zijn Heilige Geest om te middelen tussen de twee werelden. Hij kan dat, omdat Hij aan de ene kant de waarheid kent en aan de andere kant ook onze illusies herkent, maar zonder daarin te geloven. Het is het doel van de Heilige Geest ons te helpen ontsnappen uit de droomwereld door ons te leren ons denken om te keren en onze vergissingen af te leren. Vergeving is het grote leermiddel dat de Heilige Geest gebruikt om deze omkeer in denken tot stand te brengen. De Cursus heeft echter zijn eigen definitie van wat vergeving werkelijk is, precies zoals hij de wereld op zijn eigen wijze definieert.

 

De wereld die wij zien weerspiegelt slechts ons eigen oneerlijk referentiekader - de ideeën,

wensen en emoties die de overhand hebben in onze denkgeest. 'Projectie maakt waarneming' (T13.V.3:5, T21.In.1:1). Eerst kijken we naar binnen, besluiten welke wereld we willen zien en vervolgens projecteren we die wereld naar buiten, en maken haar tot de waarheid zoals wij die zien. We maken die waar door onze interpretaties van wat we zien. Als we waarneming gebruiken om onze eigen vergissingen te rechtvaardigen - onze woede, onze neiging tot aanvallen, ons gebrek aan liefde in welke vorm ook -, dan zien we een wereld van slechtheid, verwoesting, kwaadaardigheid, afgunst en wanhoop. Dat alles moeten we leren vergeven, niet omdat we 'lief en aardig' zijn, maar omdat niet waar is wat we zien. We hebben de wereld door onze verwrongen verdedigingsmechanismen vervormd en zien daarom wat er niet is. Naarmate we leren onze waarnemingsfouten te herkennen, leren we ook eraan voorbij te zien of te 'vergeven'. Op hetzelfde moment vergeven we onszelf, en kijken we voorbij ons verwrongen zelfbeeld naar het Zelf dat God in ons en als ons geschapen heeft.

 

Zonde wordt gedefinieerd als 'het ontbreken van liefde' (T1.IV.3:1). Aangezien liefde het

enige is wat bestaat, is zonde in de visie van de Heilige Geest een vergissing die moet worden gecorrigeerd, in plaats van een kwaad dat moet worden bestraft. Ons gevoel van ontoereikendheid, zwakte en onvolledigheid komt voort uit een grote investering in het 'schaarsteprincipe' dat de hele wereld van illusies regeert. Vanuit dit gezichtspunt zoeken we in anderen wat we menen zelf te missen. We 'houden van' een ander teneinde zelf iets te krijgen. In feite is dat het wat in de droomwereld voor liefde doorgaat. Een grotere vergissing is niet mogelijk, want liefde is niet in staat ergens om te vragen.

 

Alleen denkgeesten kunnen zich werkelijk verbinden en wie God verbonden heeft kan

geen mens scheiden (T17.III.7:3). Ware eenheid is echter alleen op het niveau van de Christus-Denkgeest mogelijk en is feitelijk nooit verloren gegaan. Het 'kleine ik' streeft ernaar zichzelf te vergroten door uiterlijke goedkeuring, uiterlijke bezittingen en uiterlijk 'liefde'. Het Zelf dat God geschapen heeft, heeft niets nodig. Het is voor eeuwig compleet, veilig en bemind en heeft eeuwig lief. Het kent geen behoeften en wil zich met anderen verbinden vanuit een wederzijds bewustzijn van overvloed. De speciale relaties van de wereld zijn destructief, zelfzuchtig en kinderlijk egocentrisch. Desondanks kunnen deze relaties, als ze aan de Heilige Geest worden gegeven, tot het heiligste ter wereld worden: de wonderen die de weg voor de terugkeer naar de Hemel wijzen. De wereld gebruikt haar speciale relaties als een beslissend wapen van uitsluiting en als demonstratie van afgescheidenheid. De Heilige Geest vormt ze om tot volmaakte lessen in vergeving en in ontwaken uit de droom. Elke les is een gelegenheid om waarnemingen te laten genezen en vergissingen te laten corrigeren. Elke les is een nieuwe kans om jezelf te vergeven door een ander te vergeven. En elke les wordt een nieuwe uitnodiging aan de Heilige Geest en de herinnering van God.

 

Waarneming is een functie van het lichaam en vertegenwoordigt daarom een begrenzing

van het bewustzijn. Waarneming ziet met de ogen van het lichaam en hoort met de oren van het lichaam. Ze roept de beperkte reacties op die het lichaam produceert. Het lichaam lijkt in hoge mate zelfsturend en onafhankelijk, maar in feite reageert het alleen op de intenties van de denkgeest. Als de denkgeest het lichaam wil gebruiken voor enige vorm van aanval, valt het lichaam ten prooi aan ziekte, ouderdom en verval. Als de denkgeest daarentegen de bedoeling die de Heilige Geest ermee heeft, aanvaardt, wordt het een nuttig middel om met anderen te communiceren, onkwetsbaar zolang het nodig is, en zachtjes terzijde gelegd wanneer het niet langer van nut is. Op zichzelf is het neutraal, zoals alles in de wereld der waarneming. Of het benut wordt voor de doelen van het ego of die van de Heilige Geest hangt totaal af van wat de denkgeest wil.

 

Het tegendeel van zien met de ogen van het lichaam is de visie van Christus, die kracht

weerspiegelt in plaats van zwakte, eenheid in plaats van afgescheidenheid, en liefde in plaats van angst. Het tegendeel van horen met de oren van het lichaam is communicatie via de Stem namens God, de Heilige Geest, die in ieder van ons woont. Zijn Stem lijkt veraf en moeilijk te verstaan, omdat het ego, dat spreekt voor het kleine, afgescheiden zelf, veel luider lijkt. In feite is dit omgekeerd. De Heilige Geest spreekt met onmiskenbare helderheid en overweldigende zeggingskracht. Iemand die er niet voor kiest zich met het lichaam te vereenzelvigen, kan onmogelijk doof zijn voor Zijn boodschap van bevrijding en hoop, noch kan hij verzuimen vol vreugde de visie van Christus te aanvaarden in blije ruil voor zijn ellendige beeld van zichzelf.

 

De visie van Christus is de gave van de Heilige Geest, ze is Gods alternatief voor de illusie

van afscheiding en het geloof in de werkelijkheid van zonde, angst en dood. Ze is de ene correctie voor alle fouten in de waarneming, de vereniging van de schijnbare tegenstellingen waarop deze wereld is gebaseerd. Haar milde licht laat alles vanuit een ander gezichtspunt zien, het weerspiegelt het denksysteem dat uit kennis voortkomt en maakt de terugkeer tot God niet alleen mogelijk, maar onvermijdelijk. Wat gezien werd als onrecht dat iemand door een ander werd aangedaan, wordt nu een roep om hulp en eenheid. Zonde, ziekte en aanval worden als onjuiste waarnemingen gezien die roepen om een remedie door middel van vriendelijkheid en liefde. Verdedigingsmechanismen worden afgelegd, want waar er geen aanval is, is er geen behoefte aan. De behoeften van onze broeders worden de onze, omdat zij samen met ons de reis ondernemen op weg naar God. Zonder ons zouden zij de weg kwijtraken. Zonder hen zouden wij de onze nooit kunnen vinden.

 

Vergeving is onbekend in de Hemel, waar de noodzaak ertoe ondenkbaar is. In deze

wereld echter is vergeving een noodzakelijke correctie voor alle vergissingen die we hebben gemaakt. Vergeving schenken is voor ons de enige manier om die te krijgen, want het weerspiegelt de wet van de Hemel dat geven en ontvangen hetzelfde zijn. De Hemel is de natuurlijke staat van alle Zonen van God zoals Hij hen geschapen heeft. Dat is hun werkelijkheid in alle eeuwigheid. Ze is niet veranderd doordat ze werd vergeten.

 

Vergeving is het middel waardoor we ons weer zullen herinneren. Door vergeving wordt het denken van de wereld omgekeerd. De vergeven wereld wordt tot Hemelpoort omdat we door haar barmhartigheid eindelijk onszelf vergeven kunnen. Nu we niemand als gevangene van schuld vasthouden, worden wij bevrijd. Door Christus in al onze broeders te erkennen, herkennen we Zijn Aanwezigheid in onszelf. Door al onze onjuiste waarnemingen te vergeten, en met niets uit het verleden dat ons tegenhoudt, kunnen we ons God herinneren. Verder dan dit kan leren niet gaan. Wanneer we klaar zijn zal God zelf de laatste stap zetten in onze terugkeer naar Hem.